Home » REFLECTIES VAN EEN KOK » Pagina 2

Categorie: REFLECTIES VAN EEN KOK

04 Pittige specerijen – en roeren, dweilen en zweten

Van de specerijen, de Oosterse smaakmakers, kende ik van huis uit nauwelijks meer dan kaneel in de appelmoes, nootmuskaat op de bloemkool en kruidnagel in de rode kool. Ja, ook nog peper natuurlijk, die strooide mijn moeder over alle hartige schotels. In haar keuken – de keuken van de jaren 1950-1970 – werd de smaak van de gerechten vooral bepaald door de voedingsmiddelen op zich en de manier van bereiding. Rond mijn twaalfde begon ik haar te helpen met het koken voor ons gezin van zes personen. Zij ging als secretaresse buitenshuis werken, en mijn zussen en ik moesten huishoudelijke taken van haar overnemen. Afwassen en tafel dekken liet ik graag aan mijn zussen over – zij waren sneller klaar, maar ik vond het experimenteren met koken veel interessanter.

Vanwege die klassieke kookervaring had ik de moed om mij als kok voor de cursuskeuken aan te melden. In de loop der jaren groeide de groep van tien, vijftien deelnemers naar vijfenzestig. De staf van verzorgers groeide mee en al gauw  kwam een taakverdeling tot stand met een chef-kok om snel knopen te kunnen doorhakken. Aanvankelijk voelde ik me zeer onbehaaglijk bij het optreden als ‘de baas’ die maar wat in de pannen roert en de afwas voor iemand anders neus neerzet …

Ik ben namelijk opgevoed met het idee dat afwassen, poetsen, dweilen – alles dat neerkomt op fysiek zwoegen en zweten – een minderwaardig soort van werk is. En daar komt dan ook nog eens het idee bij dat ál het verzorgende werk minderwaardig is – want bij meditatiecursussen staat toch het beoefenen van meditatie voorop?

“Ga je deze keer mediteren of moet je weer koken?” Of “Moet je weer afwassen?” Het is moeilijk uit te leggen aan iemand die dat vraagt dat het verzorgende werk geen vervelende opgave hoeft te zijn. Een enorme afwas doen, een kist vol spruitjes schoonmaken, een grote bos peterselie fijn hakken: juist het klaren van zulk een aardse, sociaalnuttige klus kan een heerlijk bevredigend gevoel opleveren! Bovendien, wanneer je zo’n ‘geestdodende’ klus met volle concentratie en ‘vurige’ inspanning uitvoert, wordt het een meditatieve oefening en aanleiding voor inzichtsmomenten. Sakyamuni, de historische Boeddha, wist dat en heeft schoonmaakwerk als onderwijsmiddel gebruikt. Ik herinner mij een sutta (leerrede) waarin hij een monnik een sneeuwwitte doek geeft met de opdracht zijn handen aan het linnen te vegen – met als gevolg de Verlichting van de monnik. Het fysieke en geestelijke, stoffelijke en onstoffelijke zuivering liggen voor het dubbelwezen mens niet zover van elkaar af.

In de praktijk zal iedereen die zijn best doet in de cursuskeuken op zijn minst tijdens de spitsuren letterlijk warmlopen in een soort ballet van samenwerking. Door de hitte van het kooktoestel, door zon op de keukenramen, door het roeren en vullen van de schalen, door op- en neer geloop met groente, pannen en schalen enzovoort. Geweldig gewoon om samen fantastische aantrekkelijke en gezonde maaltijden voor elkaar te krijgen!

Je kunt het dienen in de keuken doen voor jezelf doen – om zo mindfulness te beoefenen, om ‘negatief kamma’(akusala) af te lossen, om verdiensten te (merits) te vergaren of vanuit naastenliefde (metta). Wat de motivatie ook is, de mediterende studenten profiteren er altijd van.

Het beoefenen van Vipassana wordt vaak beschreven als purifying the mind, de geest zuiveren of louteren. Opmerkelijk is, dat zowel het geest zuiverende meditatie-werk als het dienen in de keuken is te associëren met – zweten. Ook op het meditatiekussen zul je vroeg of laat zwoegen, gloeien en zweten. Misschien vindt een aflossing van akusala plaats als een soort vagevuur op aarde?

Misschien is het vagevuur waarover ik als katholiek meisje horen vertellen oorspronkelijk als omschrijving bedoeld voor een loutering in het vuur van zelfconfrontatie?

Op de een of andere manier hangen stoffelijke en onstoffelijke loutering – en vervuiling – samen. Uiteindelijk zijn het zijn het lege concepten. Het mediteren op het kussen, roeren in de pannen, dweilen van de keukenvloer en al het verzorgende en voor- en nawerk – het  zijn allemáál zinvolle en leerzame taken goed voor jezelf en goed voor je medemens, alles op zijn tijd en het ene kan niet zonder het andere.

Tja, de chef-kok mag wel het puntje op de i zetten. Op den duur raakte ik er niet alleen aan gewend om zoveel aan extra handen over te laten – ik ging ervan genieten. Het spoorde mij ook aan om thuis menu’s en recepten grondig voor te bereiden en mijn kookkunsten steeds verder te ontwikkelen en beproeven – met gebruik van onder meer uitheemse smaakmakers. De grote variatie aan smaken die de keukens van het Midden-Oosten en het Verre Oosten zo beroemd heeft gemaakt, wordt voor een groot deel bepaald door de zeer aromatische gedroogde zaden of andere plantendelen van bijvoorbeeld kaneel, anijs, gember, karwij, komijn, koriander, kruidnagel – vreemd, in het Nederlands schijnt de letter k een speciale binding te hebben met oosterse aroma’s. In het begin van mijn carrière als kok voor ‘drive in’ cursussen kende ik al die specerijen nauwelijks, later ben ik deze pittige smaakmakers bijzonder gaan waarderen.

Onze cursussen vinden plaats in afgelegen groepsverblijven en in de buurtwinkels waren goede exotische producten en verse kruiden nauwelijks te koop (intussen is dat wel veranderd omdat we nu onze inkopen kunnen doen bij natuurvoeding- en groothandelsbedrijven). Door zelf gedroogde specerijen mee te brengen, lukte het me in die vroege jaren toch een ruime schakering aan appetijtelijke aroma’s creëren en kleurrijke, smakelijke, harmonisch menu’s – zoals het menu dat hier volgt – samenstellen. Dat meebrengen ‘voor de zekerheid’ is trouwens een gewoonte geworden van al onze koks – zodat de specerijen-voorraad aldoor uitdijt.

Ieder menu is gebaat met een goede planning – als een samenhangend geheel, met een zorgvuldige afronding van het aanbod met extraatjes – maar het loont de moeite om dat speciaal voor de exotische menu’s te doen. Zie bijvoorbeeld dit ‘Menu bont, weelderig Mediterraan’ van dag vier. Dit diner is bijzonder geschikt om te worden opgediend als een ‘boeket’ van smaken en geuren waarbij zich ieder element, iedere ‘bloem’ ontplooit zonder te gaan overheersen. Het inspireert mij tot een poëtische beschrijving. In combinatie met een afwisseling aan kleuren is het mogelijk een ook voor het oog zeer weelderig banket te creëren: romig wit, naast gemêleerd zacht groen-oranje, zonnig geel, fel stralend rood, grasgroen-wit, vol goudbruin enzovoort. Alleen blauw ontbreekt in dit palet van voedsel.

Persoonlijk hou ik wel van redelijk scherp gepeperde gerechten – ik heb het idee dat die het gloeien en zuiveren van de geest bevorderen. Toch een tip voor toekomstige chefs en koks: beperk zeer pittige experimenten, ga vooral voor variatie, meer mild en subtiel gekruid, en geef de eters de mogelijkheid zelf de verschillende gerechten bij te kruiden.

Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.

03 Gedragsregels en Hollandse kaas

“Is er geen kaas?” Tijdens de eerste meditatiecursus in Nederland waarbij ik kok was, – ik mediteerde nog maar een paar jaar – kwam op een ochtend een nieuwe student de keuken binnen en stelde deze vraag. Deze jonge man was de traditionele havermoutpap en warme pruimen na een paar dagen beu en wilde een boterham met kaas. Hij stond mij vol hoop aan te kijken en had iets weg van een hongerig hondje. Ik gaf hem een stuk kaas en een kaasschaaf – het was immers mijn taak om de studenten te dienen. Ondertussen vroeg ik me af, of ik niet in strijd met een ándere taak handelde: de norm aanhouden van het meditatiecentrum in Engeland, het ‘moederhuis’ van de Westerse tak van onze school. Daar werd toentertijd – in de jaren 1980 – bij het ontbijt nooit kaas opgediend. Daarna vergat ik het kaasdilemma voorlopig – er waren tal van meer urgente zaken.

Het is ‘bij ons’ nogal ongebruikelijk dat studenten naar de keuken komen met een vraag naar ander eten. Tenzij er serieuze dieetproblemen zijn, of je een nieuweling bent, doe je dat niet. Want het aanbod is ruim genoeg. En een uiting van begerigheid is toch ongepast in het geheel van de meditatiepraktijk?

De episode met de kaas voor een nieuwe student keerde echter op onze cursussen met zó hardnekkige regelmaat terug, dat het mij wat jaartjes later toch goed en raadzaam leek om er in Néderland een gewoonte van te maken kaas te geven bij het ontbijt. Mijn collega-koks aarzelden: zouden we daarmee in de fout gaan? Het leek wel vergezocht, maar misschien beperkte men in het centrum in Engeland het gebruik van kaas bewust om onbekende redenen? Persoonlijk voelde ik zeer mee met die ‘kaaskoppen’ – ik kreeg iedere cursus opnieuw een bloedhekel aan die pap. Een reden meer voor mij om extra zorgvuldig over deze toevoeging te beslissen.

Voor sommige lezers is dit vast spijkers op laag water zoeken. Vooral voor die lezers schrijf ik dit stukje. Ethische gedragscodes, normen en voorschriften vormen de basis voor iedere sociale gemeenschap – worden vaak in de kindertijd ‘met de paplepel ingegoten’. Als je die ‘normen en waarden’ – geformuleerd naar oud-premier Balkenende – die we hier in Nederland, Engeland en overig West-Europa respecteren vergelijkt met de code die deel uitmaakt van de Dhamma, de leer van de Boeddha, dan zie je een grote overeenkomst in de hoofdregels – gewoon omdat zonder die basis een sociale maatschappij niet mogelijk is. De Dhamma is in Azië ontstaan en verder ontwikkeld met toevoeging van allerlei gedetailleerde gedragsregels – en die kunnen op West-Europeanen vreemd overkomen omdat zij die níet met de paplepel hebben binnengekregen.

Het duurzaam overplanten van een tak van de Dhamma van Oost naar West zoals in de Sayagyi U Ba Khin traditie is een enorme opgave – enerzijds wil je de tak beschermen en de tijd geven om te wennen en shocktoestanden te voorkomen, en anderzijds zal een tak niet duurzaam overleven in een Aziatische cocon … Wij boffen geweldig als we hier in het Westen de gelegenheid krijgen om kennis te maken met een nog steeds bloeiende tak van de meer dan tweeduizend jaar oude leer en kunnen studeren bij een geautoriseerde leraar. De tiendaagse cursussen gaan over het in praktijk brengen van het Achtvoudige Edele Pad zoals dat is onderwezen door de Boeddha en dat uit drie onderdelen bestaat: SILA (moraliteit), SAMADHI (concentratie) en PANNA (wijsheid of inzicht). Duidelijke en ‘stabiele’ gedragsregels en vaste gewoontes in de verzorging bevorderen de rust – en dus horen vrijwilligers gewoontes niet zomaar te veranderen.

Het wordt van de ‘studenten’, de deelnemers aan een van onze meditatiecursussen, verwacht bepaalde gedragsregels na te leven. Om te beginnen de vijf boeddhistische hoofdregels: niet doden (geen enkel levend wezen), niet stelen, geen seksueel wangedrag, niet liegen, geen bedwelmende middelen gebruiken. Ze lijken in eerste instantie heel duidelijk – als je elk van deze ethische voorschriften als absolute uitspraken opvat en onder de loep neemt, en projecteert op de dagelijkse handelingen, wordt dat anders.

Ik kan bijvoorbeeld zeggen: Wij mensen doden voortdurend. Een mens die absoluut niets levends doodt, kan niet in leven blijven op de aarde. Hij kan niets eten of drinken, hij kan niet lopen of ergens gaan zitten, zelfs niet zonder bezwaar ademen, want bij al deze handelingen zal hij organismen doden. Allemaal waar, maar goed ik zeg dit met mijn groene ecologen-pet op en de regel is zo in het extreme doorgetrokken. Wij kunnen er wel voor kiezen onze destructieve invloed te beperken. Bovendien kunnen wij dit goedmaken door creativiteit en inzet voor geestelijke bevrijding. Volgens boeddhistische meesters is de mensenwereld daarvoor het meest geschikt. “Het kwade vermijden, het goede doen en de geest transformeren dat is de leer van alle Boeddha’s”. Het tweede en derde aspect van deze uitspraak vallen buiten het thema van dit stukje maar ik vond het toch wel volledigheidshalve nodig om ze even te noemen.

Gelukkig geven de oude canonieke teksten, de sutta’s (leerredes van de Boeddha) , monniken en spirituele leraren minder extreme interpretaties van de voorschriften. Zij zijn het erover eens wat de motivatie aangaat: elke hoofdregel doelt op het vermijden van bewúst, ‘wetens én willens’ kwetsen van levende wezens inclusief jezelf. Als student in de leer van de Boeddha weet je wat niet te doen: je doodt niets met opzet, geen mensen en geen grote of kleine dieren die je ziet en die een vorm van bewustzijn bezitten  – ook geen insecten zoals muggen. Je mag echter medicijnen gebruiken om een ziekte te bestrijden – al vernietig je daarmee willens en wetens de bacteriën in je lijf. Planten opeten en afsnijden mag – die hebben geen pijnbewustzijn – of hooguit een zeer gering. Recent onderzoek zou aantonen dat ze soms wel reageren op verwondingen of insectenplagen.

Het herkennen en veroordelen van extreme overtredingen van de regels is niet zo moeilijk. Anderzijds lijkt de sociaal-culturele context mee te tellen bij de bepaling van ‘in het extreme doortrekken’ en ‘dubbele moraal gebruiken’. Aziatische boeddhistische monniken zullen hooguit bij uitzondering een schop aanraken, om niet het risico te lopen een worm met de schop te doorklieven. Vlees eten dat in hun bedelnap gelegd wordt, geeft niet. Vlees eten is toegestaan volgens sommige uit Azië afkomstige boeddhistische scholen en ik weet dat het in sommige streken noodzakelijk was – en wellicht nog steeds is – om te kunnen overleven, dus dat kan ik begrijpen. Dat zij ook toestaan dat je hier in West Europa vlees in de supermarkt koopt om dat te eten vind ik raar – het ruikt naar dubbele moraal. We kunnen hier prima zonder vlees leven en door daar vlees te kopen stimuleer je de vleesindustrie. Je kunt nog een stap verder gaan en ook geen eieren en zuivelproducten kopen. Maar ja, dan moet je toch landbouwproducten zoals groente, fruit en brood eten. Daardoor stimuleer je de boeren die allerlei dieren zoals vogels en rupsen bestrijden en op de akkers doden en bijdragen aan de aantasting van natuurlijke leefgebieden – lokaal of ver weg.

Ik koop en eet wel boter, melk, kaas en eieren, omdat ik een veganistisch dieet wel erg extreem vind en verwacht dat dit vegetarische dieet met gebruik van lokale producten de beste keus is – het meest gezond voor mij en mijn aardse omgeving.

Over de andere vier regels zou ik gemakkelijk soortgelijke stukjes kunnen schrijven. In de dagelijkse praktijk thuis is SILA, deugdzaamheid, in veel gevallen niet te begrenzen met een absolute scherpe lijn, het lijkt soms onmogelijk om binnen de beschikbare tijd de juiste keuze te maken. Het leven is vol van kleine en grote gewetensvragen. Wat te doen bij een muizen- of vlooienplaag in huis?

Tijdens de meditatiecursussen zijn veel van die vragen niet aan de orde. De vijf regels, het mediteren, het dagrooster, de verzorging, het naleven van Edel Stilzwijgen maken dat de cursusdeelnemers heel wat minder SILA-keuzes hoeven te maken.

Als illustratie voor ‘goede’ Westerse aanpassingen in die verzorging kom ik terug op het voorbeeld van de kaas. Voor mij is het geen spijker op laag water, maar een puntje op de i. Of de Boeddha ooit iets heeft gezegd over kaas weet ik niet. In warme Aziatische landen kennen ze vanouds alleen zachte witte kaas. Om zekerheid te krijgen over ‘goed’ en ‘fout’, kan ik als boeddhistisch student enerzijds teksten, monniken of leraren raadplegen en anderzijds trachten de onderliggende principes te projecteren op de mogelijke handelingen in de hier-en-nu situatie. De hoogste autoriteit die ik toen nog had kunnen vragen was Mother Sayamagyi – ze is inmiddels overleden.

Het leek me echter ongepast haar met ons kaasprobleempje lastig te vallen. In plaats daarvan heb ik verschillende koks en andere vrijwilligers van het moederhuis in Engeland geraadpleegd. Niemand kende een reden voor het ontbreken van kaas bij het ontbijt. De een reageerde met verbazing: “Zijn er dan studenten die dat willen? ” Van anderen hoorde ik: “De pap is Engels. Het favoriete ontbijt in het meditatiecentrum in Myanmar is een gekruid mengsel van gebakken rijst en de spruiten van een bepaald soort linzen. Die linzen zijn hier moeilijk te krijgen maar we maken af en toe wel iets vergelijkbaars met kikkererwten.” En: “Veel Aziaten verdragen Westerse kaas niet of vinden hem vies. Omdat voor de Aziatische leraren toch apart wordt gekookt en veel van onze studenten wel van kaas houden, staan kaasschotels best vaak op het middagmenu. Bij het ontbijt zou ook kunnen …”

Met een gerust hart heb ik vervolgens op eigen verantwoording de kaas geïntroduceerd als vast onderdeel voor het Nederlandse cursusontbijt.

Onze regionale leraar was toen nog niet benoemd. Later zei hij lachend: “Kaas bij het ontbijt geven is prima hoor. En ja, voor Mother Sayamagyi was de Westerse voorliefde voor kaas inderdaad erg vreemd. Je kent haar – vroeger liep ze geregeld tijdens cursussen de keuken in. Eens, tijdens een cursus voor Italianen in Engeland – ik zie het zó weer voor me, hoe ze toen met een uitdrukking van licht afgrijzen en opperste verbazing naar een héle kaas stond te kijken, zo’n groot wiel, een misschien wel tien kilo groot exemplaar. Het lag op daar op de keukentafel terwijl een kok ernaast zijn mes aan het slijpen was om er een eerste stuk voor het komende middagmaal af te snijden. Wat ze dacht was duidelijk: ”Al die kaas, dat enórme ding, verdwijnt binnen een paar dagen in de magen van de studenten…  rare studenten die westerlingen!”

Kaas is later ook in het centrum in Engeland op de ontbijttafel gekomen. Niet zoals in Nederland als plakken voor op de boterham, maar meer multicultureel:  allerlei verschillende soorten samen op een kaasplank…

Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.

02 Demonen en hemelse koekjes

“De adelaar komt je halen!” Mijn jongste zus is als kleuter bij het horen van deze kreet vaak huilend het huis ingevlucht. Wij, ons groepje van buurtkinderen, vonden dat leuk.. een primitief en wreed vermaak! We hadden haar eerder wijsgemaakt dat er een adelaar bestond die speciaal haar wilde ontvoeren. Misschien vanwege haar schattige blonde krulletjes?

“Nee, kan niet weg… help, weg, weg, wil niet daarheen, niet in enge put, nee – nee! .” Mijn andere zus waarmee ik de slaapkamer deelde, had last van nachtmerries over een put die haar opslokte.

Mijn eigen kinderdemon was ‘de grote wolf’ – een schimmig boosaardig superbeest dat uit het donkere niets tevoorschijn kwam, bovenop mij ging liggen zodat ik niet meer normaal kon ademen. Als ik aan die wolf dacht bij het naar bed gaan, werd ik bang en durfde ik niet te gaan slapen.

Allemaal niets bijzonders voor mensenkinderen die hun voorstellingsvermogen gaan gebruiken. Kleine kinderen zijn nog bang van denkbeeldige monsters in het donker of boeven onder het bed en hebben vaker nachtmerries dan volwassenen.

Als katholiek meisje hoorde ik verhalen over engelen en duivels. Engelen zijn goedaardige bovennatuurlijke wezens[1] die als vooral als persoonlijke helpers van de mens optreden, als beschermers of gidsen en boodschappers van God. Satan, de opperduivel, is een boosaardige uit de hemel gevallen engel die zich tegen God keerde. Hij heeft daarbij zijn bovennatuurlijke krachten niet verloren en kan je verleiden, aan zich binden en in de diepte van de hel gooien. Op devotieprentjes herken je de engelen aan de vleugels en stralenkrans van wit licht. Ik kreeg daar geen relatie mee. Vurig bidden en kaarsjes opsteken hielp niet, voor mij bleven die plaatjes plat. Duivels zijn rood, hebben in de hel bokkenpoten en hoorns, maar ze kunnen eruit zien als gewone mensen – of als angstwekkende monsters – want het zijn gedaanteverwisselaars.

Hoe de bewustzijnsaspecten goed en kwaad aanvoelen wist ik wel: mijn demonische wolf voelde aan als een duivel. In mijn bed, en onder de dekens gestopt door mijn moeder, wenste ik dat ik buiten zijn bereik kon zweven – het plafond was vast al hoog genoeg? Ik staarde omhoog, verbeelde me dat ik langzaam naar boven zweefde… zoals een engel. Dat voelde prettig, dus probeerde ik het vaak en zo zweefde ik bij het slapengaan steeds naar boven – de kamer uit lukte me niet, maar soms kon ik met mijn vingertoppen het plafond aanraken!

Zo verloor mijn boosaardige demon zijn macht. Zoals ieder kind dat in een redelijk veilig nest opgroeit, leerde ik erop te vertrouwen dat er zich geen monsters of boeven onder bedden verschuilen en dat je ook van nachtmerries niets te vrezen hebt.

Zo heel erg veilig is mijn nest echter niet geweest. Ik werd namelijk groot in de zogenoemde periode van wederopbouw die ook bekend staat als de Koude Oorlog. Atoombommen ‘hingen koud in de lucht’, in staat om hele continenten te vernietigen. De jaren van 1957 tot 1962 staan echter bekend als ‘behoorlijk hete fase’.  De bommen, de Russen en communisten waren de boosaardige demonen van mijn generatie, en van de hele generatie in West-Europa die tussen 1945 en 1991 opgroeide. Sociaal-maatschappelijk gezien was de periode tussen 1960/1965 en 1975 ‘behoorlijk woelig’: denk aan de seksuele revolutie, de hippiebeweging, flowerpower en ontzuiling en ontkerkelijking.

Toen ik afstudeerde aan de universiteit wist ik: het heeft geen zin van ‘iets bovennatuurlijks’ een welwillende bescherming of een boosaardige aanval te verwachten. Ik weet niet of er een almachtige God bestaat, ik kan daar geen contact mee maken, evenmin met engelen of andere onzichtbare wezens. Veel Westerse moderne wetenschappers doen er nog een schepje bovenop en zeggen dat alle verschijnselen die paranormaal of bovennatuurlijk worden genoemd onverklaarde natuur zijn. Alle voor het menselijk oog onzichtbare geestwezens zoals engelen en demonen verklaren zij als restanten van animistisch volksgeloof, en personificaties van hogere en lagere bewustzijnsaspecten. Voorlopig ben ik het zelf echter met Shakespeare’s Hamlet eens: “Er is meer tussen hemel en aarde dan wij vermoeden, Horatio, of kunnen dromen.”

“En de jongen opende de schaal, proefde de hemelse koeken en deelde ze met zijn vrienden. Iedereen vond ze zo buitengewoon lekker, dat de jongen het tot een gewoonte maakte zijn moeder vanaf het speelveld een lege schaal te sturen, om ze met deze heerlijke koeken gevuld terug te krijgen. Elke keer stuurde de moeder een lege schaal terug om hem een lesje te leren, en steeds vulden de deva’s de schaal opnieuw, omdat het kamma van de jongen niet toeliet dat hij het zonder koeken moest stellen.”

Zo ongeveer luidde een van de verhalen die mijn oude meditatieleraar Sayagyi U Chit Tin met zijn typische oosterse accent aan zijn studenten voorlas. De dhammatalks van de meditatiecursussen in onze traditie zijn vooral toelichtingen over de belangrijkste elementen van de Leer van de Boeddha en leggen ook de verbinding met de historische Boeddha, alle leraren en alle leerlingen van de 2500 jaar geschiedenis.[2] Ook krijg je tal van verhalen te horen –  bijvoorbeeld om iets te illustreren zoals de gevolgen van handig kamma in dat stukje over de hemelse koeken. Andere vertelsels gebruiken symbolen of personificaties voor uitleg van bewustzijnstoestanden. Sommige oude Aziatische sutta’s beschrijven monniken en bijzondere mensen met ‘supernormal powers’: Maha Mogallana vliegt, Visakha leest gedachten enzovoort en gedaanteverwisseling of verdubbeling komt ook voor. Er staan beschrijvingen in van brahma’s (goden), deva’s (lieflijke hemelse wezens), asura’s (krijgshaftige geesten), yakka’s (natuurgeesten) en peta’s (hongerige geesten). In sommige oude teksten[3] komt een ingewikkelde Aziatische kosmologie naar voren waarin al deze wezens en ook de mensen een eigen plek hebben in een ‘drie-in-een-universum’ van ruimte, mentale krachten en wezens met bewustzijn.

Als student in het Boeddhisme en wetenschapper met een katholiek verleden zit ik daar met zeer wisselende gevoelens  naar te luisteren. Gelukkig heeft de vader van deze traditie, Sayagyi U Ba Khin heel duidelijk gezegd: “Je hoeft helemaal niets hiervan te geloven of rationeel te begrijpen. Beoefen gewoon maar de praktijk van de meditatie. Je krijgt vanzelf toegang tot de Leer door de eigen ervaringen. “ Maar toch… de lezingen benadrukken aldoor dat het waar is dat bovennatuurlijke wezens bestaan, en dat bovennatuurlijke gevoeligheid en de ontwikkeling van bijzondere krachten deel uitmaken van het meditatieve proces.

Dat je gevoeligheid – zoals voor de smaak en geur van het opgediende eten – toeneemt zal iedereen die een Vipassanacursus volgt bevestigen. De wereld om je heen, de cursuswereld, alles in je lijf, in huis en tuin, oogt iets kleurrijker en voller aan verschijnselen dan gebruikelijk in de gewone dagelijkse wereld. Een voorbeeld: Je gaat naar buiten en de voorjaarslucht voelt heerlijk zacht aan, de sneeuwklokjes buiten lijken verblindend wit, het ontluikende groen vertoont een ongelofelijke variatie aan tinten, de vogels tjilpen en zingen opvallend uitbundig en melodieus. De grote bruinfluwelige ogen van een doodgewone koe kijken je zo kalm en vol vertrouwen aan dat je wegsmelt – diep ontroerd raakt.. Het gaat maar om kleine verscherpingen van de zintuigen door concentratieverhoging – maar zo kun je je enigszins als ‘Alice in Wonderland’ gaan voelen.

Soms blijft het daar niet bij. Tijdens meditatiecursussen kunnen vreemde dingen gebeuren – of lijken te gebeuren. Het lijkt alsof je toverij meemaakt – en de dhammatalk-voorbeelden van paranormale verschijnselen voelen dan ineens niet meer zo veraf en exotisch aan. Iemand ziet een flits van een angstaanjagende draak terwijl hij mediteert, iemand anders meent dat hij kleuren uitstraalt, of hoort prachtige muziek terwijl hij onder de douche staat. En die vieze geur die aldoor op een bepaalde plek in de gang hangt, die moet wel van een demon afkomstig zijn. Weer een andere student heeft zoveel bijzondere ervaringen gehad dat hij denkt de Verlichting te kennen.

Hoe leuk of spannend dan ook, zulke ongewone ervaringen zijn allemaal voorbijgaande verschijnselen die bij iemands ‘kamma’ of persoonlijke vorm van narcistisch ego horen – de leraar schudt je zo nodig wel wakker. De verschijnselen ‘strelen’ je ego: ‘dit heeft veel betekenis; dit is heel bijzonder; dit kan alleen ik’ enzovoort. Daarom blijf je daar gemakkelijk in hangen – voor  wie op weg naar Nibbana is, zijn het echter afleidingen. Wil je op dat pad blijven, en de geboden gelegenheid ten volle benutten, doe je er volgens mij goed om die vreemde ervaringen maar gewoon onverklaard naast je neer te leggen. Of op zoek te gaan naar een ‘normale’ verklaring: die vieze geur bleek afkomstig van dode insecten in een lampenkap.

Wetenschappers stellen van alles op de proef, maar ik hoef geen lege schaal naar de eetzaal te sturen om te zien dat daar geen hemelse koeken in ontstaan. Wetenschappers hebben ook de gewoonte veel te denken, te analyseren en rapporteren – en zo kon ik het niet laten hier mijn stukje over wedergeboorte en kosmologie aan toe te voegen zoals ik die begrijp.


Wedergeboorte en kosmologie

De mentale krachten die wij mensen creëren vormen kamma, een spoor of bezinksel in de bewustzijnsniveaus of magnetische velden van ons wereldsysteem. Waar zich die sporen  vormen en of die handig of onhandig zijn, dat hangt ervan af of de mentale kracht die ze veroorzaakt een stap vooruit of achteruit is – handig of onhandig op onze weg naar bevrijding of Nibbana in navolging van de leer van de Boeddha. De mentale kracht of geestkracht (nama) en de materie (rupa) worden beïnvloed door de wet van oorzaak en gevolg, van intentie, actie en reactie. De kamma-groef of kamma-neerslag functioneert als een magneet en als een plaatsreservering voor de toekomst – voor ieder toekomstmoment en ook voor het doodsmoment. De staat van bewustzijn van een wezen op het moment van de dood bepaalt het bewustzijnsniveau waarop men wordt wedergeboren. Die ‘men’ is daarbij geen onveranderlijke identiteitskern maar zoiets als een flakkerende vlam die wordt doorgegeven, een zaadje of kamma-energie. Zo zijn wij gebonden aan de cyclus van leven en dood. De kosmologie waarin de leer van de Boeddha traditioneel is ingebed, is een afspiegeling van alle (31) bewustzijnsniveaus die mogelijk zijn binnen ‘onze’ wereld, het drie-in-een universum van ruimte, mentale krachten en wezens met bewustzijn.


Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.

[1] Oorspronkelijk was daimon een neutraal Grieks woord voor een meestal goedaardige entiteit, een geestelijk wezen tussen de mensen en de goden in. Met de opkomst van het monotheïsme kreeg de term echter een uitgesproken negatieve lading, en werd synoniem met een (lagere) duivel (bron: Wikipedia)

[2] Gebaseerd op de Pali-Canon, de verzameling van teksten van de Theravada

[3] Onder meer in de Maha-Samaya-Sutta

01 De vuurdoop

Het koken voor groepen tijdens cursussen verschilt in vele opzichten van het thuis koken. Het gaat daarbij in de groepskeuken niet alleen om het bereiden van grotere hoeveelheden voedsel. Het succes hangt sterk af van goede planning van de activiteiten, de organisatie van de uitvoering, de taakverdeling en samenwerking.

Wanneer is de taak geslaagd? Als het eten smaakt, als het op tijd op tafel staat, als de studenten en het stafteam tevreden zijn. Voor een goed op elkaar ingespeeld team is het koken te vergelijken met een dansvoorstelling: het menu is het programma, de planning en taakverdeling zijn de choreografie en de bereiding en het opdienen zijn de voorstelling. Bij een goed resultaat voelen de dansers in de keuken zich net zo voldaan – en soms net zo euforisch – als de dansers in de schouwburg. En o ja, rustige bewegingen in de eetzaal, zacht getik van het bestek als van een regenbui, geluid van stoelen die voorzichtig of onvoorzichtig verschoven worden – én de leeggegeten schalen zijn het applaus.

Tijdens de meditatiecursussen van de Sayagyi U Ba Khin Stichting volgen we een strak dagrooster. Het is de bedoeling dat ‘de leeftocht voor de roerloze pelgrims’ – het complete menu – iedere dag op exact de juiste tijd klaar staat in de eetzaal. De koks en andere teamleden zijn zo goed als fulltime bezig met hun taken of staan ‘stand-by’  in de keuken. Dat wil zeggen, ze slapen ’s nachts natuurlijk, en ze nemen ook de tijd om zelf te eten of voor een rustpauze, al kan dat bij toerbeurt gebeuren. Het belangrijkste was ik bijna vergeten: stafleden zitten dagelijks drie meditatie-uren met de studenten mee. Best lastig voor koks om dan even juist niet aan een recept of boodschappenlijst te denken.

De bereiding van de hoofdmaaltijd, het ‘diner’ om elf uur, gebeurt grotendeels daags tevoren. Dat is nodig, want direct voor het diner zijn maar twee werkuren ingeroosterd. Dat is juist lang genoeg om voorbereide gerechten af te maken en het geheel aan te vullen met een baksel of ovengerecht, mooie extraatjes of opmaak en een rauwkostschotel of fruitsalade die niet lang kan blijven staan. Hoe beter de planning en voorbereiding  daags tevoren, hoe geringer de kans op stress in die twee uren van negen tot elf.

Op de eerste volle cursusdag doet zich een probleem voor: daags tevoren kan niet veel aan het diner voor dag een worden gedaan. Het stafteam heeft daags tevoren namelijk de handen vol aan het ‘startklaar’ maken van het huis dat voor de cursus is gehuurd, het opbergen van de boodschappen enzovoort. Dus de koks moeten voor de eerste dag een menu voor de groep bijzonder strak plannen. Gelukkig is vaak op de eerste dag extra hulp beschikbaar. Toch begint het kersverse stafteam als het ware met een vuurdoop: worden die twee uren op de eerste ochtend een stressvolle race tegen de klok of gaat het meteen goed?

Het resultaat van deze vuurdoop is de opmaat voor het eetgedrag tijdens de cursus …

Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.

00 Voorproeven

“Eerwaarde, geeft u me alstublieft onderwijs in Anapana-meditatie zodat ik de vrede van het Nibbana[1] in mijzelf moge ervaren.”  Iedereen die aan een van ‘onze’ cursussen deelneemt, spreekt deze wens uit bij het begin. Ons doel is dus meteen al Nibbana – het allerhoogste of beter – het diepste inzicht in ons bestaan dat wij mensen in navolging van Gautama Boeddha kunnen verkrijgen!

Nibbana is de ultieme Verlichting, de volledige emancipatie, overstijging van het narcistisch egoïsme, het enige onveranderlijke dat er bestaat. Gelijkmoedigheid omdat de mentale oorzaken van het lijden (verlangens en aversie) niet meer kunnen ontstaan. Nibbana valt niet goed nader uit te leggen – net zomin als men kan uitleggen hoe suiker smaakt aan iemand die dat nooit heeft geproefd. In het meditatieonderwijs wordt zelden gesproken over Nibbana. En wij studenten in de Dhamma (de leer van de Boeddha) krijgen te horen dat het niet handig is om eigen en andermans vorderingen aldoor te vergelijken. Met het aansnijden van het thema Nibbana of Verlichting begeef ik me gemakkelijk op glad ijs. Toch waag ik het nu al schrijvend – af en toe heb ik een doel nodig om me te kunnen oriënteren.

Waar traditioneel wél veel over wordt gesproken, is hóé men tot de ervaring van Nibbana komt: door het Edele Achtvoudige Pad, of afgekort, het Pad of de Weg te volgen. Een handige en direct tot de verbeelding sprekende vergelijking. Maar de censor in mijn geest geeft meteen commentaar op die gedachte: “Pas op, neem dat beeld niet te letterlijk, associeer het niet met een ‘naar boven klimmen’ of afstand die je maar een keer hoeft af te leggen!” Waar het om gaat is kort-door-de bocht: juist leven, juiste concentratie, juist inzicht. Juist is daarbij: heilzaam voor alle levende wezens.

Ach ja, Nibbana is geen hemel, hemelse wolk of christelijke Hof van Eden. Voor het verkrijgen van deze diepste vorm van inzicht is de beoefening van meditatie essentieel. Bij een cursus kunnen wij zo ongeveer tien uur per dag zittend op het kussen mediteren. Een meditatieuur is een pelgrimstocht waarbij de pelgrim stilzit, zijn geest binnen zijn lichaam op een plek ‘vastbindt’, laat rusten of laat rondreizen en alles wat zich voordoet tracht waar te nemen zonder reactie.

Het opstarten van de cursus gaat gepaard met grote  onrust en wanorde: veel geloop door het huis, dozen, tassen en jassen in de hal en de gangen, enthousiaste uitroepen en omhelzingen bij het arriveren van bekenden. De eerste vrijwilligers komen ’s ochtends aan en beginnen met het versjouwen van meubels, allerlei meegebrachte spullen, levensmiddelen en enorme stapels blauwe kussens. Al snel gaan ze over op het inrichten van de meditatiezaal, eetzaal en de keuken.

Ondertussen zetten een paar kok-vrijwilligers boterhammen voor alle helpers klaar en dan beginnen ze de avondmaaltijd voor te bereiden. Soep, brood en salade staan op het menu en worden genuttigd als een soort doorlopend buffet, terwijl de een na de andere student voor deze tiendaagse kostschool arriveert. Registratie en de rondleidingen voor nieuwe studenten zorgen ervoor dat mettertijd iedereen – met tassen en koffers – zijn slaapkamer en bed vindt en het in de gangen rustiger wordt. De meesten willen eerst hun privé-domein – hun bed opmaken of tenminste markeren met een tas of kledingsstukken voordat ze gaan eten.

Dat de nestdrang sterk is, blijkt later nog eens in de meditatiezaal bij het toewijzen van de zitplaatsen.  De studenten nemen een voor een de aangewezen plek – een van de grote vooraf neergelegde dunne blauwe ‘onder’kussens – in gebruik door ze met wat kleur, een omslagdoek of meegebracht kussentje te markeren. Na de recitaties van het eerste meditatieuur daalt de stilte neer in het huis  – het Edele stilzwijgen begint en zal tot kort voor het einde van de cursus aanhouden.

Onze meditatoren komen net zoals pelgrims die kilometers afleggen, in hun binnenwereld van alles tegen: licht en duisternis, verveling, vreugde, pijn en verdriet, verrassende talenten en schrijnende littekens. Zelf ben ik bij het eerste meditatieuur van de cursus meestal eerst blij dat ik eindelijk rustig kan zitten – en daarna voel ik de vlinders in de buik die zo typisch zijn voor het op reis gaan. Voor het gevoel maakt het kennelijk niet uit of ik op reis ga per trein, auto, vliegtuig of  ‘per aandacht’.

Het oefenen in het reizen naar Nibbana is een luxe: tien dagen lang geen alledaagse zorgen en drukte! De concrete wereld is verkleind tot deze kostschool met een stukje wandelnatuur daaromheen. Voor de pauzes. Het grootste deel van de dag zitten wij studenten immers op onze kussens in de meditatiezaal voor een reis achter gesloten oogleden en binnenin een roerloos zittend lichaam van een uur of wat langer.

Iedereen heeft zo zijn eigen privé-landschap te doorkruisen – af- en verleidende gedachten en gevoelens, hindernissen zoals slaperigheid duiken op en doen ons wegzakken of vastlopen of brengen ons op dwaalsporen. Zelf heb ik vooral veel ervaring met het uitspinnen van denkbeelden, afdwalen in dagdromen of in troebele gedachtestromen. Fysieke verkrampingen voelen opkomen dat ken ik ook goed. Anderzijds heeft het mediteren me pas doen beseffen wat ‘je gelukkig voelen’ is. Lichaam en geest kunnen almaar stiller en rustiger worden en bijvoorbeeld gaan aanvoelen als een uitdijende ‘landschapsbel’. Tja. Het overschrijden van de egogrenzen zal uiteindelijk een grenzeloos menszijn ontsluiten: oneindige liefde voor alle wezens, oneindig mededogen, oneindige medevreugde en oneindige gelijkmoedigheid. Het kost wel even tijd en inspanning, maar dat lijkt toch wel de moeite waard?

Een welbekende vergelijking beschrijft het meditatieve proces als volgt. De mediterende hangt aan een touw in een boom die naast een rivier staat. Hij of zij probeert zichzelf al slingerend over de rivier heen te verplaatsen – naar de andere oever die staat voor het Nibbana. Om het doel te kunnen halen moet deze persoon op een evenwichtige manier al verder en verder gaand op en neer zwaaien. Wanneer hij tenslotte op het juiste moment het touw loslaat, weet hij wat Nibbana is. Tenminste tot het zover is moet de meditator zijn reis steeds opnieuw van voren af aan beginnen.

De traditionele parabel stopt hier. Ik ben zo vrij het beeld wat verder uit te spinnen. Het is mogelijk dat een krachtige slingeraar zo nu en dan bijna de overkant bereikt – voor heel even. De ervaring van Nibbana, van de gelijkmoedigheid en totale vrijheid van mentale pijn, is, zo zegt men, zo onvoorstelbaar indrukwekkend dat je die nooit meer vergeet. Op momenten waarop je heel even dicht in de buurt ervan komt, zou toch een voorproefje van de vrede van het Nibbana mogelijk moeten zijn? Zoiets als het opsnuiven van een heerlijke geur of zoals een prikkeling van de smaak van het voorjaar op de tong?

In ‘voorbeeldverhalen’ die deel uitmaken van de overgeleverde teksten – zoals dat van de vrouw Kisa-Gotami – wordt de Verlichting veelal als een dramatische ommezwaai beschreven – een ervaring van diepe vrede, kalmte en welwillendheid die ‘zomaar’ opkomt in een crisissituatie. Een crisis met diepe geestelijke vertwijfeling en verkramping waarbij weglopen of vechten onmogelijk is, vormt daarbij de aanzet voor het doorbreken van begrenzingen van het narcistische ego.

Maar het meditatieve proces hoeft niet zo dramatisch te verlopen. Ik denk hier aan het voorbeeld van die monnik die op zijn doodsbed nog even rechtop gaat zitten, mediteert met Verlichting als intentie, en dat dan binnen een paar minuten voor elkaar krijgt. Die monnik wandelt gewoon ‘op zijn sloffen’ het Nibbana in wanneer hij dat wil, omdat hij vooraf heel veel geoefend heeft. (Volgens het verhaal heeft hij die laatste inspanning uitgesteld omdat hij graag de volgende Boeddha wilde ontmoeten).

Heeft deze monnik – daar komt mijn denkbeeld weer opduiken – misschien al geregeld voor de drempel van het Nibbana gestaan en de smaak ervan geproefd?

Hoe dan ook – áls voorproefjes op het Nibbana mogelijk zijn, dan wens ik ze iedere dappere pelgrim die op het meditatiekussen gaat zitten van harte toe.

Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.

[1] of Nirwana (in Sanskriet). Ik citeer termen in dit boek in het Pali-(ook een Oudindische taal).