03 Gedragsregels en Hollandse kaas

“Is er geen kaas?” Tijdens de eerste meditatiecursus in Nederland waarbij ik kok was, – ik mediteerde nog maar een paar jaar – kwam op een ochtend een nieuwe student de keuken binnen en stelde deze vraag. Deze jonge man was de traditionele havermoutpap en warme pruimen na een paar dagen beu en wilde een boterham met kaas. Hij stond mij vol hoop aan te kijken en had iets weg van een hongerig hondje. Ik gaf hem een stuk kaas en een kaasschaaf – het was immers mijn taak om de studenten te dienen. Ondertussen vroeg ik me af, of ik niet in strijd met een ándere taak handelde: de norm aanhouden van het meditatiecentrum in Engeland, het ‘moederhuis’ van de Westerse tak van onze school. Daar werd toentertijd – in de jaren 1980 – bij het ontbijt nooit kaas opgediend. Daarna vergat ik het kaasdilemma voorlopig – er waren tal van meer urgente zaken.

Het is ‘bij ons’ nogal ongebruikelijk dat studenten naar de keuken komen met een vraag naar ander eten. Tenzij er serieuze dieetproblemen zijn, of je een nieuweling bent, doe je dat niet. Want het aanbod is ruim genoeg. En een uiting van begerigheid is toch ongepast in het geheel van de meditatiepraktijk?

De episode met de kaas voor een nieuwe student keerde echter op onze cursussen met zó hardnekkige regelmaat terug, dat het mij wat jaartjes later toch goed en raadzaam leek om er in Néderland een gewoonte van te maken kaas te geven bij het ontbijt. Mijn collega-koks aarzelden: zouden we daarmee in de fout gaan? Het leek wel vergezocht, maar misschien beperkte men in het centrum in Engeland het gebruik van kaas bewust om onbekende redenen? Persoonlijk voelde ik zeer mee met die ‘kaaskoppen’ – ik kreeg iedere cursus opnieuw een bloedhekel aan die pap. Een reden meer voor mij om extra zorgvuldig over deze toevoeging te beslissen.

Voor sommige lezers is dit vast spijkers op laag water zoeken. Vooral voor die lezers schrijf ik dit stukje. Ethische gedragscodes, normen en voorschriften vormen de basis voor iedere sociale gemeenschap – worden vaak in de kindertijd ‘met de paplepel ingegoten’. Als je die ‘normen en waarden’ – geformuleerd naar oud-premier Balkenende – die we hier in Nederland, Engeland en overig West-Europa respecteren vergelijkt met de code die deel uitmaakt van de Dhamma, de leer van de Boeddha, dan zie je een grote overeenkomst in de hoofdregels – gewoon omdat zonder die basis een sociale maatschappij niet mogelijk is. De Dhamma is in Azië ontstaan en verder ontwikkeld met toevoeging van allerlei gedetailleerde gedragsregels – en die kunnen op West-Europeanen vreemd overkomen omdat zij die níet met de paplepel hebben binnengekregen.

Het duurzaam overplanten van een tak van de Dhamma van Oost naar West zoals in de Sayagyi U Ba Khin traditie is een enorme opgave – enerzijds wil je de tak beschermen en de tijd geven om te wennen en shocktoestanden te voorkomen, en anderzijds zal een tak niet duurzaam overleven in een Aziatische cocon … Wij boffen geweldig als we hier in het Westen de gelegenheid krijgen om kennis te maken met een nog steeds bloeiende tak van de meer dan tweeduizend jaar oude leer en kunnen studeren bij een geautoriseerde leraar. De tiendaagse cursussen gaan over het in praktijk brengen van het Achtvoudige Edele Pad zoals dat is onderwezen door de Boeddha en dat uit drie onderdelen bestaat: SILA (moraliteit), SAMADHI (concentratie) en PANNA (wijsheid of inzicht). Duidelijke en ‘stabiele’ gedragsregels en vaste gewoontes in de verzorging bevorderen de rust – en dus horen vrijwilligers gewoontes niet zomaar te veranderen.

Het wordt van de ‘studenten’, de deelnemers aan een van onze meditatiecursussen, verwacht bepaalde gedragsregels na te leven. Om te beginnen de vijf boeddhistische hoofdregels: niet doden (geen enkel levend wezen), niet stelen, geen seksueel wangedrag, niet liegen, geen bedwelmende middelen gebruiken. Ze lijken in eerste instantie heel duidelijk – als je elk van deze ethische voorschriften als absolute uitspraken opvat en onder de loep neemt, en projecteert op de dagelijkse handelingen, wordt dat anders.

Ik kan bijvoorbeeld zeggen: Wij mensen doden voortdurend. Een mens die absoluut niets levends doodt, kan niet in leven blijven op de aarde. Hij kan niets eten of drinken, hij kan niet lopen of ergens gaan zitten, zelfs niet zonder bezwaar ademen, want bij al deze handelingen zal hij organismen doden. Allemaal waar, maar goed ik zeg dit met mijn groene ecologen-pet op en de regel is zo in het extreme doorgetrokken. Wij kunnen er wel voor kiezen onze destructieve invloed te beperken. Bovendien kunnen wij dit goedmaken door creativiteit en inzet voor geestelijke bevrijding. Volgens boeddhistische meesters is de mensenwereld daarvoor het meest geschikt. “Het kwade vermijden, het goede doen en de geest transformeren dat is de leer van alle Boeddha’s”. Het tweede en derde aspect van deze uitspraak vallen buiten het thema van dit stukje maar ik vond het toch wel volledigheidshalve nodig om ze even te noemen.

Gelukkig geven de oude canonieke teksten, de sutta’s (leerredes van de Boeddha) , monniken en spirituele leraren minder extreme interpretaties van de voorschriften. Zij zijn het erover eens wat de motivatie aangaat: elke hoofdregel doelt op het vermijden van bewúst, ‘wetens én willens’ kwetsen van levende wezens inclusief jezelf. Als student in de leer van de Boeddha weet je wat niet te doen: je doodt niets met opzet, geen mensen en geen grote of kleine dieren die je ziet en die een vorm van bewustzijn bezitten  – ook geen insecten zoals muggen. Je mag echter medicijnen gebruiken om een ziekte te bestrijden – al vernietig je daarmee willens en wetens de bacteriën in je lijf. Planten opeten en afsnijden mag – die hebben geen pijnbewustzijn – of hooguit een zeer gering. Recent onderzoek zou aantonen dat ze soms wel reageren op verwondingen of insectenplagen.

Het herkennen en veroordelen van extreme overtredingen van de regels is niet zo moeilijk. Anderzijds lijkt de sociaal-culturele context mee te tellen bij de bepaling van ‘in het extreme doortrekken’ en ‘dubbele moraal gebruiken’. Aziatische boeddhistische monniken zullen hooguit bij uitzondering een schop aanraken, om niet het risico te lopen een worm met de schop te doorklieven. Vlees eten dat in hun bedelnap gelegd wordt, geeft niet. Vlees eten is toegestaan volgens sommige uit Azië afkomstige boeddhistische scholen en ik weet dat het in sommige streken noodzakelijk was – en wellicht nog steeds is – om te kunnen overleven, dus dat kan ik begrijpen. Dat zij ook toestaan dat je hier in West Europa vlees in de supermarkt koopt om dat te eten vind ik raar – het ruikt naar dubbele moraal. We kunnen hier prima zonder vlees leven en door daar vlees te kopen stimuleer je de vleesindustrie. Je kunt nog een stap verder gaan en ook geen eieren en zuivelproducten kopen. Maar ja, dan moet je toch landbouwproducten zoals groente, fruit en brood eten. Daardoor stimuleer je de boeren die allerlei dieren zoals vogels en rupsen bestrijden en op de akkers doden en bijdragen aan de aantasting van natuurlijke leefgebieden – lokaal of ver weg.

Ik koop en eet wel boter, melk, kaas en eieren, omdat ik een veganistisch dieet wel erg extreem vind en verwacht dat dit vegetarische dieet met gebruik van lokale producten de beste keus is – het meest gezond voor mij en mijn aardse omgeving.

Over de andere vier regels zou ik gemakkelijk soortgelijke stukjes kunnen schrijven. In de dagelijkse praktijk thuis is SILA, deugdzaamheid, in veel gevallen niet te begrenzen met een absolute scherpe lijn, het lijkt soms onmogelijk om binnen de beschikbare tijd de juiste keuze te maken. Het leven is vol van kleine en grote gewetensvragen. Wat te doen bij een muizen- of vlooienplaag in huis?

Tijdens de meditatiecursussen zijn veel van die vragen niet aan de orde. De vijf regels, het mediteren, het dagrooster, de verzorging, het naleven van Edel Stilzwijgen maken dat de cursusdeelnemers heel wat minder SILA-keuzes hoeven te maken.

Als illustratie voor ‘goede’ Westerse aanpassingen in die verzorging kom ik terug op het voorbeeld van de kaas. Voor mij is het geen spijker op laag water, maar een puntje op de i. Of de Boeddha ooit iets heeft gezegd over kaas weet ik niet. In warme Aziatische landen kennen ze vanouds alleen zachte witte kaas. Om zekerheid te krijgen over ‘goed’ en ‘fout’, kan ik als boeddhistisch student enerzijds teksten, monniken of leraren raadplegen en anderzijds trachten de onderliggende principes te projecteren op de mogelijke handelingen in de hier-en-nu situatie. De hoogste autoriteit die ik toen nog had kunnen vragen was Mother Sayamagyi – ze is inmiddels overleden.

Het leek me echter ongepast haar met ons kaasprobleempje lastig te vallen. In plaats daarvan heb ik verschillende koks en andere vrijwilligers van het moederhuis in Engeland geraadpleegd. Niemand kende een reden voor het ontbreken van kaas bij het ontbijt. De een reageerde met verbazing: “Zijn er dan studenten die dat willen? ” Van anderen hoorde ik: “De pap is Engels. Het favoriete ontbijt in het meditatiecentrum in Myanmar is een gekruid mengsel van gebakken rijst en de spruiten van een bepaald soort linzen. Die linzen zijn hier moeilijk te krijgen maar we maken af en toe wel iets vergelijkbaars met kikkererwten.” En: “Veel Aziaten verdragen Westerse kaas niet of vinden hem vies. Omdat voor de Aziatische leraren toch apart wordt gekookt en veel van onze studenten wel van kaas houden, staan kaasschotels best vaak op het middagmenu. Bij het ontbijt zou ook kunnen …”

Met een gerust hart heb ik vervolgens op eigen verantwoording de kaas geïntroduceerd als vast onderdeel voor het Nederlandse cursusontbijt.

Onze regionale leraar was toen nog niet benoemd. Later zei hij lachend: “Kaas bij het ontbijt geven is prima hoor. En ja, voor Mother Sayamagyi was de Westerse voorliefde voor kaas inderdaad erg vreemd. Je kent haar – vroeger liep ze geregeld tijdens cursussen de keuken in. Eens, tijdens een cursus voor Italianen in Engeland – ik zie het zó weer voor me, hoe ze toen met een uitdrukking van licht afgrijzen en opperste verbazing naar een héle kaas stond te kijken, zo’n groot wiel, een misschien wel tien kilo groot exemplaar. Het lag op daar op de keukentafel terwijl een kok ernaast zijn mes aan het slijpen was om er een eerste stuk voor het komende middagmaal af te snijden. Wat ze dacht was duidelijk: ”Al die kaas, dat enórme ding, verdwijnt binnen een paar dagen in de magen van de studenten…  rare studenten die westerlingen!”

Kaas is later ook in het centrum in Engeland op de ontbijttafel gekomen. Niet zoals in Nederland als plakken voor op de boterham, maar meer multicultureel:  allerlei verschillende soorten samen op een kaasplank…

Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.