Home » BLOG: Reflecties van een kok » 02 Demonen en hemelse koekjes

02 Demonen en hemelse koekjes

“De adelaar komt je halen!” Mijn jongste zus is als kleuter bij het horen van deze kreet vaak huilend het huis ingevlucht. Wij, ons groepje van buurtkinderen, vonden dat leuk.. een primitief en wreed vermaak! We hadden haar eerder wijsgemaakt dat er een adelaar bestond die speciaal haar wilde ontvoeren. Misschien vanwege haar schattige blonde krulletjes?

“Nee, kan niet weg… help, weg, weg, wil niet daarheen, niet in enge put, nee – nee! .” Mijn andere zus waarmee ik de slaapkamer deelde, had last van nachtmerries over een put die haar opslokte.

Mijn eigen kinderdemon was ‘de grote wolf’ – een schimmig boosaardig superbeest dat uit het donkere niets tevoorschijn kwam, bovenop mij ging liggen zodat ik niet meer normaal kon ademen. Als ik aan die wolf dacht bij het naar bed gaan, werd ik bang en durfde ik niet te gaan slapen.

Allemaal niets bijzonders voor mensenkinderen die hun voorstellingsvermogen gaan gebruiken. Kleine kinderen zijn nog bang van denkbeeldige monsters in het donker of boeven onder het bed en hebben vaker nachtmerries dan volwassenen.

Als katholiek meisje hoorde ik verhalen over engelen en duivels. Engelen zijn goedaardige bovennatuurlijke wezens[1] die als vooral als persoonlijke helpers van de mens optreden, als beschermers of gidsen en boodschappers van God. Satan, de opperduivel, is een boosaardige uit de hemel gevallen engel die zich tegen God keerde. Hij heeft daarbij zijn bovennatuurlijke krachten niet verloren en kan je verleiden, aan zich binden en in de diepte van de hel gooien. Op devotieprentjes herken je de engelen aan de vleugels en stralenkrans van wit licht. Ik kreeg daar geen relatie mee. Vurig bidden en kaarsjes opsteken hielp niet, voor mij bleven die plaatjes plat. Duivels zijn rood, hebben in de hel bokkenpoten en hoorns, maar ze kunnen eruit zien als gewone mensen – of als angstwekkende monsters – want het zijn gedaanteverwisselaars.

Hoe de bewustzijnsaspecten goed en kwaad aanvoelen wist ik wel: mijn demonische wolf voelde aan als een duivel. In mijn bed, en onder de dekens gestopt door mijn moeder, wenste ik dat ik buiten zijn bereik kon zweven – het plafond was vast al hoog genoeg? Ik staarde omhoog, verbeelde me dat ik langzaam naar boven zweefde… zoals een engel. Dat voelde prettig, dus probeerde ik het vaak en zo zweefde ik bij het slapengaan steeds naar boven – de kamer uit lukte me niet, maar soms kon ik met mijn vingertoppen het plafond aanraken!

Zo verloor mijn boosaardige demon zijn macht. Zoals ieder kind dat in een redelijk veilig nest opgroeit, leerde ik erop te vertrouwen dat er zich geen monsters of boeven onder bedden verschuilen en dat je ook van nachtmerries niets te vrezen hebt.

Zo heel erg veilig is mijn nest echter niet geweest. Ik werd namelijk groot in de zogenoemde periode van wederopbouw die ook bekend staat als de Koude Oorlog. Atoombommen ‘hingen koud in de lucht’, in staat om hele continenten te vernietigen. De jaren van 1957 tot 1962 staan echter bekend als ‘behoorlijk hete fase’.  De bommen, de Russen en communisten waren de boosaardige demonen van mijn generatie, en van de hele generatie in West-Europa die tussen 1945 en 1991 opgroeide. Sociaal-maatschappelijk gezien was de periode tussen 1960/1965 en 1975 ‘behoorlijk woelig’: denk aan de seksuele revolutie, de hippiebeweging, flowerpower en ontzuiling en ontkerkelijking.

Toen ik afstudeerde aan de universiteit wist ik: het heeft geen zin van ‘iets bovennatuurlijks’ een welwillende bescherming of een boosaardige aanval te verwachten. Ik weet niet of er een almachtige God bestaat, ik kan daar geen contact mee maken, evenmin met engelen of andere onzichtbare wezens. Veel Westerse moderne wetenschappers doen er nog een schepje bovenop en zeggen dat alle verschijnselen die paranormaal of bovennatuurlijk worden genoemd onverklaarde natuur zijn. Alle voor het menselijk oog onzichtbare geestwezens zoals engelen en demonen verklaren zij als restanten van animistisch volksgeloof, en personificaties van hogere en lagere bewustzijnsaspecten. Voorlopig ben ik het zelf echter met Shakespeare’s Hamlet eens: “Er is meer tussen hemel en aarde dan wij vermoeden, Horatio, of kunnen dromen.”

“En de jongen opende de schaal, proefde de hemelse koeken en deelde ze met zijn vrienden. Iedereen vond ze zo buitengewoon lekker, dat de jongen het tot een gewoonte maakte zijn moeder vanaf het speelveld een lege schaal te sturen, om ze met deze heerlijke koeken gevuld terug te krijgen. Elke keer stuurde de moeder een lege schaal terug om hem een lesje te leren, en steeds vulden de deva’s de schaal opnieuw, omdat het kamma van de jongen niet toeliet dat hij het zonder koeken moest stellen.”

Zo ongeveer luidde een van de verhalen die mijn oude meditatieleraar Sayagyi U Chit Tin met zijn typische oosterse accent aan zijn studenten voorlas. De dhammatalks van de meditatiecursussen in onze traditie zijn vooral toelichtingen over de belangrijkste elementen van de Leer van de Boeddha en leggen ook de verbinding met de historische Boeddha, alle leraren en alle leerlingen van de 2500 jaar geschiedenis.[2] Ook krijg je tal van verhalen te horen –  bijvoorbeeld om iets te illustreren zoals de gevolgen van handig kamma in dat stukje over de hemelse koeken. Andere vertelsels gebruiken symbolen of personificaties voor uitleg van bewustzijnstoestanden. Sommige oude Aziatische sutta’s beschrijven monniken en bijzondere mensen met ‘supernormal powers’: Maha Mogallana vliegt, Visakha leest gedachten enzovoort en gedaanteverwisseling of verdubbeling komt ook voor. Er staan beschrijvingen in van brahma’s (goden), deva’s (lieflijke hemelse wezens), asura’s (krijgshaftige geesten), yakka’s (natuurgeesten) en peta’s (hongerige geesten). In sommige oude teksten[3] komt een ingewikkelde Aziatische kosmologie naar voren waarin al deze wezens en ook de mensen een eigen plek hebben in een ‘drie-in-een-universum’ van ruimte, mentale krachten en wezens met bewustzijn.

Als student in het Boeddhisme en wetenschapper met een katholiek verleden zit ik daar met zeer wisselende gevoelens  naar te luisteren. Gelukkig heeft de vader van deze traditie, Sayagyi U Ba Khin heel duidelijk gezegd: “Je hoeft helemaal niets hiervan te geloven of rationeel te begrijpen. Beoefen gewoon maar de praktijk van de meditatie. Je krijgt vanzelf toegang tot de Leer door de eigen ervaringen. “ Maar toch… de lezingen benadrukken aldoor dat het waar is dat bovennatuurlijke wezens bestaan, en dat bovennatuurlijke gevoeligheid en de ontwikkeling van bijzondere krachten deel uitmaken van het meditatieve proces.

Dat je gevoeligheid – zoals voor de smaak en geur van het opgediende eten – toeneemt zal iedereen die een Vipassanacursus volgt bevestigen. De wereld om je heen, de cursuswereld, alles in je lijf, in huis en tuin, oogt iets kleurrijker en voller aan verschijnselen dan gebruikelijk in de gewone dagelijkse wereld. Een voorbeeld: Je gaat naar buiten en de voorjaarslucht voelt heerlijk zacht aan, de sneeuwklokjes buiten lijken verblindend wit, het ontluikende groen vertoont een ongelofelijke variatie aan tinten, de vogels tjilpen en zingen opvallend uitbundig en melodieus. De grote bruinfluwelige ogen van een doodgewone koe kijken je zo kalm en vol vertrouwen aan dat je wegsmelt – diep ontroerd raakt.. Het gaat maar om kleine verscherpingen van de zintuigen door concentratieverhoging – maar zo kun je je enigszins als ‘Alice in Wonderland’ gaan voelen.

Soms blijft het daar niet bij. Tijdens meditatiecursussen kunnen vreemde dingen gebeuren – of lijken te gebeuren. Het lijkt alsof je toverij meemaakt – en de dhammatalk-voorbeelden van paranormale verschijnselen voelen dan ineens niet meer zo veraf en exotisch aan. Iemand ziet een flits van een angstaanjagende draak terwijl hij mediteert, iemand anders meent dat hij kleuren uitstraalt, of hoort prachtige muziek terwijl hij onder de douche staat. En die vieze geur die aldoor op een bepaalde plek in de gang hangt, die moet wel van een demon afkomstig zijn. Weer een andere student heeft zoveel bijzondere ervaringen gehad dat hij denkt de Verlichting te kennen.

Hoe leuk of spannend dan ook, zulke ongewone ervaringen zijn allemaal voorbijgaande verschijnselen die bij iemands ‘kamma’ of persoonlijke vorm van narcistisch ego horen – de leraar schudt je zo nodig wel wakker. De verschijnselen ‘strelen’ je ego: ‘dit heeft veel betekenis; dit is heel bijzonder; dit kan alleen ik’ enzovoort. Daarom blijf je daar gemakkelijk in hangen – voor  wie op weg naar Nibbana is, zijn het echter afleidingen. Wil je op dat pad blijven, en de geboden gelegenheid ten volle benutten, doe je er volgens mij goed om die vreemde ervaringen maar gewoon onverklaard naast je neer te leggen. Of op zoek te gaan naar een ‘normale’ verklaring: die vieze geur bleek afkomstig van dode insecten in een lampenkap.

Wetenschappers stellen van alles op de proef, maar ik hoef geen lege schaal naar de eetzaal te sturen om te zien dat daar geen hemelse koeken in ontstaan. Wetenschappers hebben ook de gewoonte veel te denken, te analyseren en rapporteren – en zo kon ik het niet laten hier mijn stukje over wedergeboorte en kosmologie aan toe te voegen zoals ik die begrijp.


Wedergeboorte en kosmologie

De mentale krachten die wij mensen creëren vormen kamma, een spoor of bezinksel in de bewustzijnsniveaus of magnetische velden van ons wereldsysteem. Waar zich die sporen  vormen en of die handig of onhandig zijn, dat hangt ervan af of de mentale kracht die ze veroorzaakt een stap vooruit of achteruit is – handig of onhandig op onze weg naar bevrijding of Nibbana in navolging van de leer van de Boeddha. De mentale kracht of geestkracht (nama) en de materie (rupa) worden beïnvloed door de wet van oorzaak en gevolg, van intentie, actie en reactie. De kamma-groef of kamma-neerslag functioneert als een magneet en als een plaatsreservering voor de toekomst – voor ieder toekomstmoment en ook voor het doodsmoment. De staat van bewustzijn van een wezen op het moment van de dood bepaalt het bewustzijnsniveau waarop men wordt wedergeboren. Die ‘men’ is daarbij geen onveranderlijke identiteitskern maar zoiets als een flakkerende vlam die wordt doorgegeven, een zaadje of kamma-energie. Zo zijn wij gebonden aan de cyclus van leven en dood. De kosmologie waarin de leer van de Boeddha traditioneel is ingebed, is een afspiegeling van alle (31) bewustzijnsniveaus die mogelijk zijn binnen ‘onze’ wereld, het drie-in-een universum van ruimte, mentale krachten en wezens met bewustzijn.


Copyright © 2018 Bureau Bio-redactie, All rights reserved.

[1] Oorspronkelijk was daimon een neutraal Grieks woord voor een meestal goedaardige entiteit, een geestelijk wezen tussen de mensen en de goden in. Met de opkomst van het monotheïsme kreeg de term echter een uitgesproken negatieve lading, en werd synoniem met een (lagere) duivel (bron: Wikipedia)

[2] Gebaseerd op de Pali-Canon, de verzameling van teksten van de Theravada

[3] Onder meer in de Maha-Samaya-Sutta