Net genoeg in verbinding met de aarde

Ruim 15 jaar woon ik al een van de kleinste dorpen van Nederland – het heeft minder dan 800 inwoners. Een dorp pal naast een natuurgebied, waar het ’s nachts zo stil is dat je de roep van een uil kunt horen – en ook de karakteristieke hoestbuien van de overbuurman. Overdag overheersen hier roodbruin en groenig bruin: bakstenen muren, rietdaken, en het grijzige en groenige van bomen en heggen. Wat ik vanuit mijn raam zie lijkt een saaie boel – maar niet als ik het aandachtig, met oog voor detail en geduld bekijk. De dag heeft kortstondige pieken van activiteiten. Rond 8 uur ’s morgens bijvoorbeeld, dan fietsen babbelende schoolkinderen langs mijn huis. Meer subtiele bewegingen en zachte geluiden zijn er op ieder moment: de wind laat de takjes van mijn druif in de voortuin ritselen, de merel die daar gewoonlijk slaapt barst los in een getjirp dat een oranje kater moet afschrikken, of ik hoor de bus die elk halfuur over de hoofdstraat rijdt. In mijn huis staat – als het niet al te koud is – altijd een raam of de voor- of achterdeur open zodat het fris ruikt en ik een zuchtje wind voel. Terwijl ik hier zit te denken en te schrijven, dagdromen, en problemen al puzzelend op te lossen blijf ik zo laag-bij-de-grond: net genoeg in verbinding met de fysieke aarde en haar andere bewoners. Geen lawaai en drukte die me afleidt – ik hou erg van deze vorm van stilte. Toegegeven, soms wordt het me hier té stil en eenzaam, ondanks telefoon en internet. Dan stijgt de onrust vanuit mijn voeten omhoog en moet ik vrienden gaan opzoeken, de bus of de fiets nemen en het lawaai, de drukte van de stad en het benauwde van de hoge gebouwen voorlief nemen. Voor een poos. Logeer ik in de stad, dan krijg ik nogal eens het gevoel dat ik mijn huisje in het dorp, de druif en de merel in de steek heb gelaten. Het is vast een projectie die heimwee verdoezelt, maar ja, voor het gevoel van onbehagen maakt dat niet veel verschil. Merkwaardig is trouwens dat mijn huidige woonplaats net zo als mijn geboortedorp en de andere plaatsen waarin ik opgroeide afhankelijk waren van zwaar vervuilende fabrieken. Ik ben hier beslist niet terecht gekomen door heimwee naar de zwaveldampen van de fabriek – maar wellicht wel door heimwee naar de veiligheid van het fabrieksdorp van mijn kindertijd? Dan heb ik daar toch een schone draai aan gegeven – want de fabriek is hier verleden tijd. Ik ga ‘de fabriek’ gebruiken als focus voor mijn eerste stukje over mijn vroegere leefomgeving. ====================================================

Een dode mus

Flashback: op mijn 14de kwam ik op een bewolkte zomerdag van school thuis toen ik voor het eerst goed besefte – vóelde – hoe erg de luchtvervuiling in de omgeving van een fabriek kon zijn. Ik moest van de bushalte aan de provinciale weg naar ons huis lopen, eerst een stukje door open boerenland, terwijl ik in de verte aan de rechterkant al de fabriek kon zien waar mijn vader destijds werkte. Ons huis lag aan de toegangsweg, op hooguit honderd meter afstand van het portiersgebouwtje en de slagboom. Ik opende het tuinhekje en midden op het tuinpad zag ik iets ongewoons liggen. Een mus. Dood? Ja, geen hartslag, zacht en slap, nog iets warm. Zo op het oog was het lijfje perfect in orde. Waarom was dit musje dan doodgegaan en zomaar uit de lucht gevallen? Ik keek omhoog en ineens wist ik het: de lucht was te vies, te giftig voor het musje. De gelige tint van het wolkendek, de zweem van rotte eieren in mijn neus, de zure smaak op mijn tong – de luchtvervuiling was op die dag onmiskenbaar. Voor mij een schokkende eyeopener – mijn thuis stonk, mij thuis was niet veilig. Ik zag mezelf als een plattelandskind en hield als klein kind al van de natuur, dieren en planten. Dat de fabriek die natuur aantast, drong pas op dat moment tot mij door.    ===============================================

De zegen van de fabriek

Ik zou nog tot op mijn 19de in de buurt van fabrieksschoorstenen blijven wonen. In mijn geboortedorp speelden alle kinderen in de zomer zoveel mogelijk buiten – samen verstoppertje, hinkelen, knikkeren. Geweldig spannend was het om door de bospercelen, kwekerijen en lupinevelden te struinen, want het kon gebeuren dat je dan achterna gezeten werd door de veldwachter meneer Maus. Zijn taak was de orde te handhaven op de fabriek en in het dorp. Wie werd gevangen kon hij in het gevangenishuisje van het dorp opsluiten! In de tweede helft van de 20ste eeuw bepaalden de traditionele verbanden wie je was, en gewoonlijk waren dat de kerk, het dorp en de familie. In mijn geboortedorp stuurde ‘de fabriek’ of ‘de zink’ alles aan, zelfs de kerk! De rector, de priester van de Rooms-Katholieke Kerk, die de geestelijke verzorging van het dorp op zich nam, was namelijk in dienst van de fabriek. Een kerkgebouw liet lang op zich wachten – de rector moet mij hebben gedoopt in de fabriekskapel. Nederland telt niet meer dan twaalf dorpen, buurtschappen en wijken die speciaal zijn gebouwd voor de werknemers van een bepaalde fabriek of andere bedrijfsmatige activiteit. In ontwikkelingslanden is zoiets ook in de 21ste eeuw nog heel gewoon. Het zijn daar veelal sloppenwijken. In mijn geboortedorp waren zowel de fabriek, de huisvesting en de voorzieningen vooraf ontworpen  door een van stichters, speciaal voor dit lege heideveld naast de Zuid-Willemsvaart aan de landsgrens. De bouw startte in 1892 – het plan was zo groots dat het nooit helemaal uitgevoerd is. Voor de  directeuren waren er villa’s,  het hogere personeel kreeg vrijstaande woningen en het gewone werkvolk werd in woonblokken ondergebracht. Ieder woongebouw had een tuin met een haag, er kwamen nette, rechte straten en brede sloten. De schoorstenen van de fabriek kon je bijna zien vanaf ons huis – de ingang van de fabriek lag een eindje verderop achter een bocht langs de straat. De Cantine – ook een gebouw van de fabriek – was iets dichterbij. Op het grote plein ervoor kon je prima rolschaatsen. In de Cantine woonden de zusters met hun ‘vliegkappen’, daar was de kleuterschool, de Coop. De Kantine had ook een toneelzaal. Mijn moeder speelde een hoofdrol in ‘Het spook van Canterville’, in een uitvoering van de plaatselijke toneelclub.  Zij was ook lid van de EHBO-club. Direct naast ons huis stond een groot wit gebouw in een parkachtige tuin: de witte villa. Een tijdlang ben ik daar naar school gegaan – het schoolgebouw was te klein geworden. De villa werd voor allerlei doelen gebruikt; er was een postkantoor en soms woonde er iemand. Een bordestrap met stenen leuningen leidde naar de voordeur. Mijn jongere zus kreeg een uit de leuning vallende steen op haar voet en wij zussen zagen met verbazing hoe enorm die voet opzwol. De witte villa was gebouwd voor een van de fabrieksdirecteuren die intussen was overleden. Mijn oudere zus weet nog dat ze een keer met haar fietsje tegen de auto van een meneer de directeur is gebotst. Mijn vader heeft hem als goedmakertje een doos sigaren gegeven. Mijn vader hoorde als ingenieur bij het ‘hogere personeel’ en kon beschikken over een auto van de fabriek. Op die zwarte Volvo, met zo’n klein rond raampje achter, waren wij heel trots. Mijn vader zou tot aan zijn pensionering in de metaalindustrie werken (een zink- of loodfabriek) en een zeer loyaal werknemer blijven. Hoe kon het ook anders – dankzij ‘de fabriek’ kon hij als 34 jarige eindelijk een gezin stichten. Ons bestaan was ervan afhankelijk.  De fabrieken, de industrie van de Wederopbouwperiode, waren een zegen voor de werknemers. Er waren veel jonge gezinnen en nieuwkomers die zo goed als geen bezittingen hadden en de handen uit de mouwen moesten steken. Wij deelden ‘lief en leed’ met buren, clubgenoten, mijn vaders fabriekscollega’s en alle kinderen van de buurt. De achterdeuren waren haast nooit op slot. Veel van de meubels in ons huis, bedden, kasten, tafels, stoelen waren tweedehands – overgenomen van buurtbewoners – of door mijn vader zelfgemaakt.

En de vloek

Het werken in een zink- of loodfabriek is een minder gezonde bezigheid. Giftige stoffen waarmee de arbeiders in de fabriek te maken kregen waren bijvoorbeeld lood, arseen, cadmium, zwaveldioxide, zwavelzuur, salpeterzuur en nitrose. Mijn oudere broer moest een poos in een ziekenhuis worden opgenomen omdat hij in de fabriek een acute loodvergiftiging had opgelopen ondanks allerlei veiligheidsvoorschriften en controles. Kalktabletten en vitamine C pilletjes werden als voorzorgsmaatregel uitgedeeld en door mijn vader ook voor ons mee naar huis genomen. In de jaren 1950 en 1960 negeerde men de rook en sprak men niet hardop over de minder wenselijke invloed van de fabrieken op de omgeving. In het dorp wende je aan de geur en accepteerde je ook de calamiteiten, de dagen met extreme uitstoot doordat er iets mis ging in de fabriek. Rondom de vier fabrieken waar ik naast heb gewoond waren boerderijen met groentetuinen, bessenstruiken, aardappel- en suikerbietenakkers, of er graasden koeien in weilanden. De sintels, de afval uit de ovens van de fabriek, zijn op asbergen naast de fabrieken gedeponeerd en gebruikt om wegen en bouwterreinen op te hogen zoals in Brabant en Limburg. Pas later, vanaf de jaren 1970, 1980, is alom erkend dat  zink- en lood industrie enorme milieuvervuiling veroorzaakte, dat uit de sintels die men eerder onschadelijk vond, giftige stoffen lekken en dat de gezondheidsrisico’s vroeger onderschat zijn. Zo is de zegen van de fabrieken, de werkgelegenheid die ze boden tijdens de periode van Wederopbouw veranderd in een vloek – de vloek van bodemvervuiling en bodemsaneringen. Mijn jongere broer is te vroeg, op zijn 40ste jaar, overleden aan alvleesklierkanker; een speelkameraadje van ons zussen heeft haar 40ste niet gehaald en is kort na de geboorte van haar kind overleden aan leukemie. Mijn vader had een niercyste waar hij overigens weinig last van had. Ik zelf had als kind een stofwisselingsziekte. Zou er enig verband bestaan tussen deze ziektes en het opgroeien en wonen naast of werken in een zink- of loodfabriek? Dat blijft een open vraag. Wij wisten niet beter dan dat de fabriek voor ons zorgde zoals een goede werkgever dat hoorde te doen.  ====================================================

Oost west, thuis best

Zelf heb ik één keer in het laboratorium van de fabriek gewerkt – een vakantiebaantje voordat ik zou gaan studeren. Ik werd er ziek van: misselijk, buikpijn, benauwd en duizelig. Niet van het hanteren van zwavelzuur en andere stoffen – maar van angst voor het rare gedrag van het personeel daar. Wat was er zo leuk aan om te zien hoe ik probeerde ammonia op te zuigen met een pipet?   Achteraf begrijp ik wel dat het hier om een grap en een soort ontgroening ging – en dat ik destijds een supergevoelig en heel bang kuiken was. Ik kroop onder de dekens, zei alleen dat ik ziek was, thuis wilde blijven en niet meer naar de fabriek wilde. Mijn vader vermoedde wel dat er iets was voorgevallen – en heeft tot mijn opluchting dit baantje voor mij opgezegd.   Intussen ben ik allang geen kuiken meer en word ik niet zo gemakkelijk meer ziek van stress. Ik heb geleerd lomp en bizar gedrag van mensen te negeren al lukt dat niet altijd. Dat ik in 2004 besloot te verhuizen, had vooral te maken met een verlangen naar meer stilte binnen de eigen woning want naast mijn appartementje waren nieuwe, bijzonder lawaaierige buren ingetrokken. Op zoek naar een nieuw thuis – liefst in een groene omgeving en in een dorp – zag ik een foto van iets dat uitzag als een schattige cottage. Ik kreeg een kans het te huren – het huurcontract moest binnen drie dagen worden getekend – en dat deed ik, na een wandeling door een stukje van het dorp en de bossen eromheen. Ik woonde in de stad sinds ik was gaan studeren, maar had al die tijd een vaag heimwee naar een dorp. Misschien verlangde ik meer naar de geborgenheid en zekerheid van een ouderlijk huis. Misschien heb ik mijn kindertijd in een dorp in gedachten mooier gemaakt dan het werkelijk was? Ik weet nog dat ik me als puber voor het inslapen ‘alleen op de wereld’ voelde en dan fantaseerde over een ander thuis, een afkomst van een andere aarde of van ‘de zigeuners’.

Van een andere aarde?

Het maakt niet meer uit wat mijn voorstellingen van dit dorp waren, ik heb hier toch een prettige hoofdverblijfsplek gevonden. Hier kan ik goed zitten denken en onder meer mijn leven onderzoeken. Ik ben benieuwd naar mijn eigen reflecties en schrijfsels over mijn spirituele zoektocht, die ik begon als een Nederlands kind in de Wederopbouwperiode, Koude Oorlog en Babyboom. Waar bijvoorbeeld komt dat idee vandaan dat ik had als puber, dat ik geen kind van mijn ouders zou zijn? Was dat wellicht het begin van mijn zoektocht? Toen ik 19 was schreef ik me in bij een universiteit voor een studie biologie om zo ‘het leven’ wetenschappelijk te gaan bestuderen. Later koos ik – voor zover het aardse leven en de wereldse broodwinning dat toeliet – voor een spirituele zoektocht en kwam ik in aanraking met Vipassana, een meditatiepraktijk naar de leer van de Boeddha. Vipassana doelt op het ontwikkelen van inzicht in de wetten – waarheden genoemd – van het leven. Dit ontwikkelen van inzicht begint met inzicht in jezelf via beoefening van meditatie en gaat gepaard met een proces van ‘deconditionering’ of zelfemancipatie. Voor mij – zoals voor de meeste beoefenaars van Vipassana – is dat een geleidelijk en langdurig proces. Wordt het op den duur makkelijker om het leven als mens werkelijk te aanvaarden? Of, met andere woorden, verandert mijn gevoel ‘van een andere aarde’ te zijn, in ‘van een andere aarde thuisgekomen’? ==================================================